Economische theorieën


  • De 5 wetten (stadia) van Karl Marx (1818-1883) (die z.i. onvermijdelijk moesten leiden
    tot een communistische maatschappij):

    1. De Concentratiewet: grote ondernemingen slokken voortdurend kleine op.

    2. De Accumulatiewet: kapitalisten die de meerwaarde van arbeid ontvangen,
    proberen de omvang van ondernemingen daarmee steeds te vergroten.

    3. De Verelendungstheorie: de armoede van de arbeidersklasse zal steeds erger worden.

    4. De Crisistheorie: de winsten zullen dalen en met de bedrijven gaat het
    steeds slechter, waardoor arbeiders worden ontslagen en sociale ellende ontstaat.

    5. De Ineenstortingstheorie: de economische crises zullen elkaar steeds
    sneller opvolgen en de steeds slechter wordende positie van de arbeidende klasse zal tot
    onhoudbare spanningen tussen de klassen leiden.

  • De eerste wet van Gossen (1810-1858):

    De wet van het afnemend grensnut (= het extra nut
    dat de consument heeft van een extra eenheid van een bepaald goed):
    naarmate men meer over iets beschikt, neemt het nut ervan af.

  • De tweede wet van Gossen:

    Er is sprake van maximale behoeftenbevrediging
    wanneer de consument bij de besteding van zijn inkomen het grensnut van alle
    goederen gelijk weet te stellen.

  • De wet van de toe- en afnemende meeropbrengsten:

    Bij toevoeging van steeds meer eenheden van een variabele productiefactor aan constant gehouden
    productiefactoren, zal de fysieke meeropbrengst eerst toenemen, later
    voorbij een bepaald punt afnemen en ten slotte negatief worden.

  • Wet van Engel:

    Bij stijging van het inkomen zullen de uitgaven aan
    noodzakelijke goederen relatief afnemen.

  • Wet van Say (1767-1832):

    Elk aanbod schept zijn eigen vraag : vergroting van het aanbod
    leidt tot meer productie en dus tot meer inkomen, waardoor de vraag weer
    toeneemt.

  • De verkeersvergelijking van Erwin Fisher:

    M x V = P x T (M = maatschappelijke geldhoeveelheid, V = omloopsnelheid van het geld, P =
    prijspeil en T = transacties van goederen).

  • De theorie van Keynes (1883-1946):

    In economisch slechte tijden moet de overheid het
    begrotingstekort laten oplopen om zo de economie te stimuleren; in
    economisch goede tijden moet de overheid het begrotingstekort omzetten in
    een begrotingsoverschot om de economie af te koelen.

  • Zijlstra-norm:

    Als in de particuliere sector de besparingen voortdurend
    hoger zijn dan de investeringen, is een daarmee corresponderend
    overheidstekort aanvaardbaar.

  • Zalmnorm:

    Economische meevallers moeten worden besteed aan verkleining van
    de staatsschuld en aan verlaging van belastingen en premies (op 50/50
    basis). Extra uitgaven mogen alleen plaatsvinden bij meevallers op de
    betreffende post.

Bron: Marinus Kalk.

ComputerComputer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *