Paardentermen


  • Hard, droog beenwerk betekent dat de huid strak om de benen zit, waardoor er geen ruimte is voor gebreken.

  • Het spronggewricht bevindt zich halverwege het achterbeen en vormt samen met de bil en de heup de achterhand.

  • Stap, draf en galop zijn de drie gangen waarover ieder paard beschikt. Sommige paarden kennen daarnaast ook de tölt en de telgang.

  • De hoogte van een paard, ook wel de stokmaat of schofthoogte genoemd, wordt gemeten vanaf de bodem tot de schoft, dat is de lichte welving tussen rug en hals.

  • Koudbloeden zijn paarden die afstammen van het trage, primitieve Europese woudpaard. Het zijn over het algemeen sobere dieren die toekunnen met relatief weinig verzorging.

  • Paarden hebben vaak behang aan de benen. Dat is een versiering van lange haren op het onderbeen. Ter plaatse kan de huidaandoening mok ontstaan.

  • Volbloeden, zoals de Arabier en de Engelse volbloed, zijn lichte rijpaarden met een woestijn achtergrond. Deze paarden hebben over het algemeen meer temperament dan een koudbloed en zijn daardoor heter (drukker).

  • Een warmbloed verenigt elementen van een koudbloed en een volbloed in zich.

  • De maantop is de kuif die de meeste paarden op hun hoofd hebben. Bij diverse rassen mag deze niet geknipt worden. Hoe langer hoe beter is dan het motto.

  • De nek van een paard bevindt zich direct achter de oren en is slechts ca. 5 cm lang.

  • De hals is het (langere) deel dat hoofd en romp verbindt.

  • Een bruin paard heeft naast een bruine vacht, zwarte manen, een zwarte staart en zwarte (onder) benen.

  • Is dat niet het geval, dan is er sprake van een vos, ook al is het dier zo bruin als koffie.

  • Een schimmel wordt donker geboren en wordt na verloop van tijd steeds lichter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.