Christelijke feestdagen


  • Advent, de periode vier weken voor Kerst. Voorbereiding op het kerstfeest; de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht.
  • Kerstmis, 25 en 26 december. De geboorte van Jezus.
  • Onnozele kinderen, 28 december. Jongste van het gezin of van de kloostergemeenschap mag zogenaamd de baas zijn.
  • Driekoningen, 6 januari. De openbaring van de Heer aan niet-joden. Zijnde Caspar, Balthasar en Melchior.
  • Carnaval, vier dagen voor Aswoensdag. Ook Vastenavond genoemd, wordt op de vier dagen gevierd die voorafgaan aan de vasten. Het is de bedoeling genoeg te eten zodat je op Aswoensdag met het vasten kon beginnen.
  • Aswoensdag, zes en halve week voor Pasen. De eerste dag na carnaval en de eerste dag van de veertig dagen durende vastentijd die loopt tot Pasen.
  • Palmzondag, de zondag voor Pasen. Ook Palmpasen genoemd. De intocht van Jezus in Jeruzalem.
  • Witte Donderdag, de week voor Pasen. De dag van ‘het laatste avondmaal’.
  • Goede Vrijdag, de vrijdag voor Pasen. De kruisiging van Jezus door de Romeinen.
  • Stille Zaterdag. Periode dat Jezus dood in het graf lag.
  • Pasen, de zondag onmiddellijk na de eerste volle maan op of na 21 maart, dus op zijn laatst op 25 april. De opstanding van Jezus uit de dood.
  • Hemelvaartsdag, de donderdag 9 dagen voor Pinksteren. Veertig dagen na zijn opstandig uit de dood ging Jezus terug naar God.
  • Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. De neerdaling van de Heilige Geest over de apostelen.
  • Maria ten Hemelopneming, 15 augustus. Ook Maria Hemelvaart genoemd. De lichamelijke ten-hemel-gang van Maria.
  • Geboorte van Maria, vastgesteld op 8 september.
  • Allerheiligen, 1 november. Dag waarop alle heiligen worden herdacht.
  • Allerzielen, 2 november. Dag waarop alle overledenen worden herdacht.

Bron: Mariska van Venetië, Alles wat u beslist over Nederland moet weten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2004.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *